donderdag 13 november 2008


KOMST BOMEN LAGE LANDEN

Zoals beloofd hier de samenvattingen van de theorieen die in het boek "Eik en Beuk" van Jac. P. Thijsse te lezen zijn.

In het kort de theorie van Thijsse zelf:

Hij stelt dat na de kruidachtige planten als eerste de Elzen en Berken kwamen.

Daarna de Jeneverbes en de Dennen wat hij o.a. verklaart door het feit dat hun zaden zeer licht van gewicht zijn en per wind en water (de rivieren) verspreid werden.

Pas daarna zouden de Eiken en Beuken zijn gekomen. Dat wordt verklaard doordat ze van veel zuidelijker moesten komen en hogere eisen aan het klimaat kwamen en we toen nog niet het huidige klimaat hadden zo snel na de IJstijden. Eikels en Beukennootjes zouden te zwaar zijn om door wind en water verspreid te zijn geraakt.

De verspreiding van die zaden schrijft hij toe aan Vlaamse Gaaien aangaande de Eikels en aan Eekhoorns wat betreft de Beukennootjes. Hij baseerde zich op eigen waarneming van hoe die diersoorten de zaden anno nu nog verspreiden. Van Eikels zijn trouwens ook Eekhoorns en Bosmuizen niet vies en ook niet van Hazelnoten.


Hoewel Thijsse het allemaal erg mooi en zeer praktisch en gelovenswaardig beschrijft, is het volgens later paleobotanisch onderzoek toch allemaal wat anders gegaan, vooral qua volgorde van de soorten.

Hierbij een samenvatting van de bijlage / laatste hoofdstuk van het boek. De oorspronkelijke tekst is van Dr. Wim van Leeuwarden en Dr. Jaap Mennema en gebaseerd op paleobotanische kennis uit de 1990ies.

Om te beginnen gaat het hier over de vegetatie van bomen sinds we die kennen sinds de laatste IJstijd, en dat alleen al verlangt een verklaring over de IJstijden in Nederland. Er zijn er 2 geweest die van invloed zijn geweest:

1.) De voorlaatste IJstijd is tegenwoordig bekend als het Saale- of Riss-glaciaal. Toen bereikte het landijs uit Scandinavie ons land. Dit gebeurde aan het eind van het Saalien tijdvak, ruwweg rond 150.000 jaar geleden. Het ijs bedekte de noordelijke helft van Nederland en het ijs en morenen (gesteente) vormde toen een deel van landschappen zoals die in o.a. Gelderland (de Veluwe). Het ijs had in ons land toen een dikte van meer dan 10 meter.

In die tijd trokken veel planten zich terug naar zuidelijker regionen en verdwenen tot dan toe inheemse boomsoorten, zoals Tulpenbomen en Magnolia's en zelfs Mammoetbomen helemaal uit onze contreien. Die boomsoorten werden later weer door de mens opnieuw geintroduceerd, met name na de Middeleeuwen.

2.) Tijdens de laatste IJstijd (het Weichsel of Würm Glaciaal) kwam het ijs helemaal niet tot in Nederland, het bleef op een afstand van 250 kilometer bij ons vandaan. Het kwam slechts tot het uiterste noorden van Duitsland en Polen. Maar bij ons bleef het qua temperatuur nog wel erg koud vergeleken bij nu. Het einde van die IJstijd was ongeveer 12.000 jaar geleden.

Pas toen kregen kruidachtige planten die zich naar het zuiden hadden teruggetrokken weer de kans terug te komen. Pas daarna kwamen boomsoorten en de Noordzee bestond nog niet en de zeespiegel lag 60 meter lager dan nu. Doordat er nog geen zee- en oceaaninvloeden waren op ons klimaat, duurde het voor de meest warmteminnende soorten die van het meest zuidelijk moesten komen ook het langst voordat ze ons land hadden bereikt, de voorlaatste waren de Eiken en pas veel later de Beuk.


Als eerste kwam de Jeneverbes (een naaldboom). Dat is dus de echte oerboom in onze contreien.

Daarna pas volgden Dennen, Berken en Populieren. Nog weer een millenium later volgde de Hazelaar en kort daarop de Iepen en Eiken die gingen concurreren met de Hazelaars.

De Eiken verschenen pas zo'n 9.000 jaar geleden. Pas nog weer een millenium later er Linden en Elzen en hoewel. Meteen na de laatste IJstijde groeiden er in de rivierdalen ne moerassen al wel bossen. Hedendaagse bossen op dergelijke locaties anno nu worden Ooibossen of Elzenbroeken genoemd maar het grappige is dat er ondanks die laatste naam nog geen Elzen bomen in Nederland waren.

Pas 5.000 jaar geleden verschenen de Beuken in onze contreien. Dat dat zo lag heeft geduurd was niet zozeer door de migratiesnelheid maar door de grote afstand dat ie moest afleggen vanuit vanuit zijn "refugium" (het gebied waar planten zich terugtrokken in een warmer klimaat tijdens de IJstijden). De Beuk moest helemaal uit Macedonie komen.

Alle planten en dus ook bomen kwamen uit het zuiden en als eerste ook in Zuid Nederland. De Eiken en Beuken deden er vervolgens weer een millenium over om ook Noord Nederland te bereiken. De echte opkomst van Beuken vond pas 2.500 jaar geleden plaats. Reden, pas toen werd het klimaat wat gunstiger onder invloed van de vorming en uitbreiding van de Noordzee.

Nederland was in die tijd allang bewoond door mensen maar toen leefde men nog van de jacht en visserij en dus werden er amper bomen gekapt, hooguit voor brandhout. Pas toen de mens landbouw ging bedrijven werden er bomen gekapt om akkers en weiden te creeeren in het landschap. Dat kwam nog eens in een versnelling toen Karel de Grote de landbouw ging bevorderen en pas nog weer later werden er nog meer bomen gekapt om zeeschepen van te bouwen en de rest van de wereld te gaan verkennen en later zelfs koloniseren.

Echt oude bomen zijn er daardoor niet meer in ons land, de weinige die er nog zijn zijn hooguit 18e of 19e eeuws en de ultieme oerboom in Nederland, de Jeneverbes, is anno nu in het wild zelfs haast een zeldzaamheid.

In bijzondere gevallen zijn ze nog wel te zien, zoals bij de Ecokathedraal in Friesland van Louis Le Roy, meen ik op foto's van een vriend die er onlangs nog was gezien te hebben.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten